De ruilvrouw

Van de scharrel van je beste vriend moet je afblijven. Een regel zo helder als het zeewater rond Guadeloupe. Toch kan ik me één avond herinneren waarop ik de grenzen van deze regel aftastte. Het gebeurde in de zomer van 1986, op de dansvloer van discotheek De Treemter in het Friese dorpje Grouw. Cock Robin’s The Promise you made klonk luid in onze oren.

COCK ROBIN, Point Pleasant, NJ – 1965

Carmens ogen waren espressoboontjesbruin als die van Anna Lacazio, de smachtende vrouwenstem op The promise you made. Ze volgden me toen ik met haar vriendin Linda op de dansvloer van De Treemter stond te dansen. Carmen had positief gereageerd op Eriks uitnodiging, twee dansplaten eerder. Hij had het wél aangedurfd om de twee meiden bij de bar aan te spreken. Onderweg van bar naar dansvloer meldde Erik dat ze, net als wij, zonder ouders op vakantie waren en dat ze een eigen kajuitboot in de haven hadden liggen.

Het gevoel dat Linda bij me opriep, herkende ik als het gevoel dat ik kreeg bij het in ontvangst nemen van een door mijn oma gebreide trui: doen of je het leuk vindt maar weten dat het nooit iets wordt. Terwijl ik Linda aanstaarde zag ik uit mijn ooghoek hoe Erik al dansend iets in Carmens oor fluisterde, met een straatlengte voorsprong de knapste van de twee.

Toen de Friese platenjockey de drietonige hum van Peter Kingsbery vol opendraaide, was het of hij tegelijkertijd een knop in mijn hoofd omzette. Tijdens de laatste ‘mmmm’ greep ik Carmens hand en trok haar zachtjes naar me toe. Ondertussen knipoogde ik naar Erik die richting Linda bewoog. Zo naast elkaar waren ze precies even lang, hij en Linda, een beter koppel.

Wij waren ook een goed koppel. Met onze lijven dicht tegen elkaar gleden we over de vloer van De Treemter. We playbackten ‘you’ll be there in my hour of need. You won’t turn me away’, en keken naar elkaar als giechelende kleuters. Na het tweede refrein gebeurde er iets waar ik niet op had gerekend. Een directe order uit het dierlijke deel van mijn brein gaf me opdracht om Carmen op haar mond te zoenen. Haar tong zei ja.

Erik vond het ‘echt geen probleem’ dat ik Linda voor Carmen had verruild. Dat vertelde hij me op de vroege ochtend na onze korte logeerpartij in de kajuitboot van Carmen en Linda. Tijdens de wandeling naar de camping evalueerden we de gebeurtenissen van die avond. Aan zijn kant van de kajuit was die nacht méér gebeurd dan aan mijn kant.

albumhoes-cock-robinOm zijn woorden kracht bij te zetten wees hij naar een vlek op zijn sweater. Of liever gezegd: een vlek op mijn sweater. Ik had hem aan Erik uitgeleend toen hij het koud kreeg. Met de vlek in mijn favoriete sweater, die er in de wasmachine niet meer uitging, was de rekening vereffend. Voortaan kon ik verlost van enig schuldgevoel naar The promise you made luisteren. En mijmeren hoe mooi ze was.

Dit waargebeurde jeugdverhaal schreef ik voor ondergewaardeerdeliedjes.nl. Freek Janssens blog was voor mij de ideale plaats om dit verhaal eindelijk een keer op papier te zetten. Opgelucht las ik de reactie van Erik, de hoofdrolspeler in het verhaal op de conceptversie: ‘Goed gedaan Oof, het klopt helemaal’.

Gestrande potvis

‘I just finished a walk to the toilet in 60 minutes’, had ik kunnen twitteren. Dat was ongeveer de tijd die ik nodig had om van mijn bed naar het toilet in onze badkamer te gaan. Een traject van nog geen 7 meter schat ik. ‘Dan plas je toch in een fles’, adviseerde mijn nichtje terwijl ik als een aangespoelde potvis voor de badkamerdeur lag.

foto 3Het is allemaal de schuld van onze parasolvoet. Twee jaar geleden kocht ik dit artistiek verantwoorde exemplaar bij een lokale tuinzaak. Het ding weegt zeker 20 kilo. Na het ontbijt wilde ik de voet met de parasol er nog in een paar meter opschuiven. Dat had ik beter op de ARBO-manier (uit de knieën met rechte rug) kunnen doen maar dat is wijsheid achteraf.

Een paar uur na het parasolincident lag ik op de overloop. Met een volle blaas. Ik had heel even overwogen om in een emmer, melkpak of fles te plassen maar zag daar met het oog op mogelijk spatwerk toch maar vanaf. Tijgerend lukte het prima om mijn lichaam vanaf mijn bed richting badkamer te manoeuvreren. Ik faalde in de laatste fase van deze oefening: het opstaan om staand een plas te doen.

En dus stond ik mijn nicht en haar man liggend vanuit de gang te woord. ‘Stap maar even over oom Iwan heen’, zei Sophie tegen haar dochtertjes die onderweg waren naar de slaapkamer van hun grote achternicht.

foto 1Een half uur later, terwijl de drie gezonde volwassenen in onze tuin een droog Italiaans worstje met rosé-prosecco wegspoelden, dacht ik na over de zin van dit soort lichamelijke ongemakken. Ik stelde mezelf gerust met de gedachte dat mijn timing best ok was: we hadden onze vakantie achter de rug (…), er stond dit weekend geen tenniswedstrijd op het programma en het gebeurde in de achtertuin.

Met die conclusie verbeterde mijn gemoedstoestand. Met mijn hoofd op de vloer zag onze slaapkamer er netjes en geordend uit. Zelfs de grijnzende jongeman, die de slowmotionbeklimming van mijn bed aandachtig volgde, liet me koud. Time flies met acute rugpijn. Daar zou de Californische adonis van de Hollister-tas over een jaar of 30 vast nog wel achter komen.

Ik heb dit verhaal in gestrekte positie op mijn iPhone getypt.

Haatmof

Tijdens mijn vakantie las ik HhhH, ‘Himmlers hersens heten Heydrich’. Het verhaal gaat over een waargebeurde moordaanslag op de bedenker van de gaskamer. Een mof van de ergste soort. In Egmond, het dorp waar ik tussen mijn 10e en 16e opgroeide, viel het woord mof regelmatig. Bijvoorbeeld als we spraken over de dominante aanwezigheid van Duitse toeristen op het strand van Egmond aan Zee.

Op 7 november 1978 waren het elf moffen die het afscheid van Johan Cruijjff wisten te verstieren. De 8 goals die Bayern München in het Olympisch Stadion scoorde heb ik uit mijn geheugen gewist. Ik weet alleen nog hoe Cruijff, voor de aftrap, een kleurentelevisie in ontvangst nam: ‘Deze krijgt een mooie plek op ons toilet, daar hebben we nog geen kleurentelevisie’.

Ruim 30 jaar later heet de mof weer gewoon Duitser. Met dank aan Rudi, Linda, Louis en Arjen juichen we mee als Bayern de Champions League wint, organiseren we onze eigen bierfeesten en rijden we trots in onze ‘das auto’.

Daarmee is ook de haat jegens Duitsers verdwenen. Dat vind ik eerlijk gezegd een beetje jammer. Het was best lekker om op zijn tijd een Duitser te haten. Vooral op het voetbalveld. Mijn favoriete haatmof heette niet Lothar Matthäus maar Toni Schumacher, keeper van het Duitse team in de periode ’80 – ’86.

Ik was niet de enige die Schumacher in 1982 haatte. Wikipedia citeert een Frans onderzoek waarin hij als de meeste gehate persoon werd aangeduid, zelfs één plaats boven Adolf Hitler. Die status had de Keulenaar te danken aan het molesteren van Patrick Battiston in de door Duitsland gewonnen halve finale van het WK ’82 in Spanje. Nog erger dan de overtreding was zijn reactie na het incident. Het leek alsof hij met zijn BMW (mijn vader haatte BMW’s) een overstekende voetganger had aangereden en een paar meter verderop met draaiende motor door het geopende raam van zijn bolide volgde hoe ambulancebroeders zijn slachtoffer bij elkaar raapten.

Tot overmaat van haat liet de enige Nederlander op dat WK, arbiter Charles Korver, Schumacher in het veld staan en gaf hij Frankrijk geen penalty. Na een verlenging, die in 3-3 eindigde, verloor Frankrijk de strafschoppenserie. Patrick Battiston ontwaakte pas enkele dagen na de botsing uit zijn coma, als aandenken had hij een gebroken kaak en twee tanden minder.

De mof Schumacher probeerde weken na de wedstrijd zijn imago op te poetsen door Battiston een bosje bloemen te brengen en de tandartsrekening te vergoeden. Allemaal zinloos want hij bleef het hele jaar met stip op 1 in mijn lijst met Meest gehate Duitsers. Ik vermoed dat nazikopstuk Heydrich die status ook had toen Tsjechische spionnen hem onder vuur namen. Hij kwam het ziekenhuis nooit meer uit, Toni Schumacher wel.

Andere tijden Sport wijdde in 2010 een uitzending aan de aanslag van Schumacher.

Steentje bijdragen

Een vakantie zonder reisverzekering, een leven zonder
begrafenisverzekering, een autorit zonder ongevallenverzekering. Ik
verzeker het liefst zo weinig mogelijk. Voor mijn vrouw ligt dat
anders. Een pensioentekort, een krappe uitvaart of een ander
onderverzekerd evenement maken haar onrustig. Dus heb ik ook een
begrafenispotje en gaan we alleen nog verzekerd op reis. href="http://debestevoetballervandewereld.nl/wp-content/uploads/2013/07/20130712-084848.jpg"> class="size-full alignleft" alt="20130712-084848.jpg"
src="http://debestevoetballervandewereld.nl/wp-content/uploads/2013/07/20130712-084848.jpg"
width="300" height="198" />Ondanks mijn desinteresse
voor verzekeringen heb ik in mijn jonge jaren toch een keer profijt
gehad van een verzekering. Het verzekerde voorval vond ergens
midden jaren ’70 plaats. Mijn ouders hadden die dag deelgenomen aan
een demonstratie tegen de olieopslagplaats van de gebroeders Wokke
in onze wijk. De firma Wokke huisde in een verwaarloosd gebouw aan
de buitenrand van de Bergerhof. Het rook er naar vrachtauto’s en
vieze overalls. Op weg naar school sprong ik over de
regenboogplassen voor het pand. Op de dag van de demonstratie sprak
ik na het avondeten met een paar vrienden af voor het pand van
Wokke. Ook wij wilden ons steentje bijdragen. Met kleine en grote
stenen mikten we op de ramen onder het dak. Terwijl de grote
demonstratie zonder ongeregeldheden had plaatsgevonden, werd onze
actie voortijdig afgebroken. Met nog 2 van de 10 ruiten te gaan,
nam de politie ons mee voor verhoor op het hoofdbureau. Mijn pa gaf
me een knipoog toen hij me ophaalde van het bureau. Over de schade
hebben we de weken en maanden er na niet meer gesproken. Een paar
jaar terug kreeg ik de originele schadeuitkeringsbrief van hem
cadeau. Daarin schrijft verzekeraar ‘t Hooge Huys dat de
aansprakelijkheidsschade á 79 gulden aan de firma Wokke wordt
vergoed. De firma Wokke maakte in de jaren ’80 plaats voor een
ander bedrijfsgebouw, het parkeerdek van mijn werkgever,
verzekeraar REAAL. Herinneringen aan de href="http://debestevoetballervandewereld.nl/kruisraket/">eerste
demonstratie waar ik ooit aan deelnam.

Vrijheid

Vrijheid. Rond 5 mei krijgt het woord opeens een zware lading. Door het jaar heen is de lading lichter. Een gevoel van vrijheid associeer ik dan niet met oorlog en vrede maar met kleine dingen: een ingelaste vrije dag, een biertje op een zonnig terras of met mijn linkerarm uit het raam van mijn auto op weg naar huis.

Een vrouwenarm zie je zelden uit een rondrijdende auto steken. Maar de gemiddelde vrouw krabt buitenshuis ook niet aan haar kruis, zet geen voet op een paaltje en fietst meestal niet wijdbeens. Deze poses zijn voorbehouden aan de man.

Ik herinner me een rijinstructeur die vanaf de bijrijdersstoel zijn arm regelmatig uit het raam stak. Dat begon al in maart bij gevoelstemperaturen van rond het vriespunt. Was de zon te zien dan draaide Koos zijn raampje open. ‘Ja jochie, gebruik jij je beide handen en voeten maar voor het besturen van dit motorvoertuig, dan kijk ik ondertussen naar de lekkere wijven’. Dat leek de rechterarm van Koos me te vertellen.

Koos reed in de jaren ’90 voor de Alkmaarse autorijschool Van der Geer. In mijn Top 5 met schaammomenten staat de zebrapad-ingreep van Koos met stip op 1. ‘Wat deed je net fout’, vroeg hij me direct nadat hij de leswagen met piepende banden voor de eerste witte zebrastreep tot stilstand had gebracht. Op dat moment kon ik weinig uitbrengen. Ik kon alleen maar kijken naar het oude mannetje dat hoofdschuddend het zebrapad overstak.

De van origine Haagse instructeur had een klein zuinig mondje. Uit dat mondje hoorde ik nooit dat hij mijn examen had aangevraagd, hoewel hij dat vanaf de 15e les steevast aan me beloofde. Uit dat mondje hoorde ik vooral vunzige tekst. Over vrouwen, over vrouwen met korte rokjes en over vrouwen zonder bh’s (‘los in het netje’).

Hoewel Ton, mijn tweede en laatste instructeur, mij meer rijvaardigheden bijbracht, denk ik toch nog wel eens terug aan Koos. Vooral als ik met mijn arm uit het raam van mijn auto hang. ‘Een mooi weertje voor de buitenneukers’, hoor ik Koos in plat Haags dan zeggen. Voor hem stond die buitenactiviteit waarschijnlijk symbool voor de ultieme vorm van vrijheid.

Tomatencoupe

Mijn hoofd is niet geschikt om zonder haar door het leven te gaan. Heette ik Bruce Willis, Humberto Tan of Rogier Nolta dan had ik er minder moeite mee gehad. Mannen met hoofden als vette tomaten op gespierde nekken. Haar is bij hen overbodige franje. .

‘Je vader heeft zijn haar toch ook nog’, zei een goede vriend laatst om me op te beuren. Hij had een punt, mijn pa van bijna-68 draagt nog steeds een ongehoorzame bos haar op zijn hoofd. En toch maak ik me zo nu en dan zorgen. Zijn vader was hartstikke kaal en wat als ik toch het haarDNA van mijn opa heb meegekregen?
‘Je kunt er wel iets aan doen hoor’, zei mijn kapper een tijdje geleden. ‘Als je nu begint kun je het haarverlies afremmen. Je masseert je hoofdhuid op de kwetsbare plekken. Dat doe je twee keer per dag.’ Onder het mom van je-moet-alles-een-keer-geprobeerd-hebben, fietste ik met een plastic tas vol haarpokon naar huis.

Ik kan niet zeggen dat die maand haartherapie heeft geholpen. Het omgekeerde lijkt het geval. Na die behandeling is mijn haar aan de voorkant alleen maar dunner. Als ik nu mijn oude knipschema van 3 kappersbezoeken in een jaar aanhoud, krijg ik last van een lastige haarpluk. Die de ene keer naar links en de andere keer naar rechts gaat. Eddy’s pluk ging ook alle kanten op. Als ik Eddy Treijtel op het trainingsveld naast De Hout keepersduiken zag repeteren, koos zijn haarpluk dezelfde hoek als zijn baas. Maar Eddy was niet tevreden over de volgzame houding van zijn pluk. Als hij zijn rechterhand vrij had, streek hij de pluk daarom standaard naar de andere kant. Met het ritme van een ruitenwisser.

Toch was het niet een pluk die Treijtel beroemd maakte maar een meeuw. Het verhaal dat hij in 1970 tijdens Sparta – Feyenoord een meeuw uit de lucht schoot, bereikte mij pas jaren na zijn verblijf in De Hout. Ik las ergens dat de vijfvoudig international het beest morsdood uit de lucht had zien vallen. Of de zeevogel eerst op Treijtels kalende hoofd had gescheten, vertelde het verhaal niet. Nee, van Treijtels haar moest je afblijven. Al heeft hij inmiddels, zonder haar, net zo’n mooie kale kop als Bruce, Humberto en Rogier.

In dit land

In dit land van wind en water
Schuimen wolken uit de klei
Olie verven op de golven
Grove kluiten aan de prei

Land van armen uit de mouwen
Land van geen geouwehoer
Maar wel van oeverloos gekanker
Op de duivel en zijn moer

13 pareltje op het soloalbum van Huub van der Lubbe

In dit land van nette zwendel
Witte welvaartsmaatschappij
Groot geworden van de handel
Of zegt u maar piraterij

In dit land land van koeien
schapen schepen kippen en het ei
Land van stijlen en van papen
Land van Gorter en van mij

Land van noeste Deltawerken
voor het keren van het tij
Land van honderduizend kerken
Om het draaien van de brei

Land van banken en van duiten
Land van kaarsrecht in de leer
In het weekend je te buiten
En door de week dan weer meneer

En we draaien
En we graaien
En we waaien hier met alle winden mee
Met de mond vol over alles
Maar met eigenlijk geen idee

In dit land van struise meiden
Opgeschoten jongelui
Rond het vriespunt in je t-shirt
Bij min twintig in een trui

In dit land waarvan de leiding
In gerechtigheid geloofd
Met een scheef oog naar de peiling
Land met boter op het hoofd

Land van noem het tolerantie
Van heb-ik-iets-van-je-aan
Ik bemoei me ook met jou niet
Laat mij ook m’n gang dan gaan

En we draaien
En we graaien
En we waaien hier met alle winden mee
Met de mond vol over alles
Maar met eigenlijk geen idee

In dit land van wind en water
Land van drooggemalen klei
Olie verven op de golven
Grove kluiten aan de prei

In dit land wars van vertoning
Land met tenen op de grond
In deze prut is hier de koning
Van zijn eigen lapje stront

In dit land ben ik geboren
Tussen grootspraak en gekloot
Tussen kaffers en het koren
In dit land ga ik nog dood

En we draaien
En we graaien
En we waaien hier met alle winden mee
Met de mond vol over alles
Maar met eigenlijk geen idee

En we draaien
En we graaien
En we waaien hier met alle winden mee
Met de mond vol over alles
Maar met eigenlijk geen idee

Geen idee, geen idee, geen idee

In dit land – tekst: Huub van der Lubbe (2013)

Bekijk Huubs optreden bij Pauw & Witteman of lees het NRC-interview.

Kersensaus op vanille-ijs

“Ah-ah-ah-ah-ah-ah-ah-ah.” Met het ritme van een handzaag die traag op en neer gaat in een houten balk, hoorde ik vannacht een mensenstem. Ik lag in bed toen ik de stem hoorde.

Half slapend had ik er een andere betekenis aan gegeven. Ik dacht dat onze buurjongen de grenzen van zijn prille verkering verkende, in zijn slaapkamer grenzend aan die van ons.

Daarna werd het geluid klagender. Lust had plaats gemaakt voor pijn. Was het een gewonde man die in onze straat lag te creperen? Ik zag het beeld voor me: een man in foetushouding in de sneeuw, het bloed dat hij verliest als kersensaus op vanille-ijs.

Mijn vrouw loste het mysterie op. Ze maakte een kleine kier tussen raam en rolgordijn. Samen keken we naar de witte wereld aan de andere kant van het raam. “Auw-auw-auw-auw-auw-auw-auw-ik heb het zo koud”, klaagde een man in een ski-jas met een stapeltje kranten op zijn onderarm.

Dit korte verhaal stond op zaterdag 21 februari 2013 ook op de achterpagina van de NRC (rubriek ik@nrc).

Messi dat jij er bent

‘De kappertjes zijn op, haal jij een potje?’ Een man met een opstaande kuif en duimen in de zakken van zijn jeans lacht me toe vanaf de kookboekstandaard op ons aanrecht. Het is allemaal zijn schuld. Onderweg op de fiets vloek ik op de wind, de regen en Jamie Oliver.

Een natte spijkerbroek tegen een potje kappertjes, geen eerlijke ruil, denk ik als ik de avondwinkel betreed. Het is even voor sluitingstijd, de bedrijfsleider rammelt ongeduldig met zijn sleutelbos.

Met slechts 4 minuten op de klok heb ik het potje met Capparis spinosa nog niet gevonden. Een passerende vulhulp slalomt voorbij met een lege winkelkar. ‘Mag ik je iets vragen’, roep ik met mijn rechtervinger omhoog. Als hij dichterbij komt, herken ik zijn gezicht van tv. Het is Lionel Messi, niet in het shirt van FC Barcelona maar in een lichtblauw vulploeghemd van de lokale supermarkt.

Messi’s rechterwijsvinger gaat een moment naar zijn linkermondhoek. Dan haalt hij zijn beroemde linkervoet van de stalen kar en zet hij een sprint in. Ik ren achter hem aan. Hij passeert bezoekers alsof ze er niet staan, zijn gewicht verplaatsend van zijn linker- naar zijn rechterbeen. Bij de tijdschriften ben ik hem kwijt. Met mijn handen steunend op mijn bovenbenen probeer ik mijn adem terug te vinden.

Bij een hartslag van rond de 140 per minuut voel ik iemand op mijn linkerschouder tikken. De beste voetballer van de wereld heeft het kleine potje kappertjes op zijn rechterhandpalm. Dan gooit hij het potje in de lucht en legt het met een gebogen rug dood in zijn nek. Via de hak van zijn linkervoet zeilt de boodschap in mijn linkerhand. ‘Muchas gracias’, zeg ik maar Messi is al vertrokken.

In de verte hoor ik een radiostem zeggen dat Lionel Messi voor de vierde maal op rij de Gouden bal heeft gewonnen. Het is 7 uur geweest, de hoogste tijd om op te staan.