Bijrol

Onderweg naar huis op het windrijke fietspad tussen Egmond en Alkmaar kwam ik Piet vaak tegen. Hij fietste elke dag naar het centrum van Egmond aan de Hoef, vermoedelijk voor een bezoek aan de sigarenwinkel van Jan Twisk. Piet woonde langs de, door mij regelmatig vervloekte, Hoeverweg, in een biologisch-dynamische zorgboerderij. Hij duwde de pedalen van zijn herenfiets wijdbeens in slowmotion naar beneden, waardoor hij net genoeg snelheid had om zijn fiets overeind te houden. Heen en terug was hij zeker twee uur onderweg. Bij harde wind drie uur.

 Piet was een dorpsgek zoals je ze tegenwoordig niet meer tegenkomt. Hij was ongevaarlijk en nam genoegen met een bijrol. Van een halve kilometer afstand kon je zien dat Moeder natuur bij Piet een paar zaken was vergeten. Op het puntje van zijn neus rustte een bril als een klimrek. Zijn ogen keken verbaasd achter het dikke brillenglas. Aan zijn neus hing altijd een druppel. In zijn rechtermondhoek plakte een sigaarstomp, 2 vingerkootjes lang, nooit heb ik er rook uit zien komen.

Onderweg maakte hij altijd een stop om zijn volle blaas te legen in het slootje naast het fietspad. Bij het protocol hoorde ook dat wij zijn geparkeerde fiets omgooiden. Met zijn gulp nog open en de kleine Piet er nog uitbungelend, sjokte hij dan een paar passen achter ons aan.

Dorpsgekken zijn er tegenwoordig niet meer. Daarvoor in de plaats hebben we de landsgek gekregen. Als je aan zijn spulletjes komt, begint hij ook te vloeken en te tieren. Niet bij een slootje langs een polderweg maar op de digitale snelweg. Ik wil de dorpsgek terug.